Strip Turnhout


Jan Smet: het grote interview

Stripgids werd halverwege de jaren ‘70 gesticht door Jan Smet, die later ook de Stripgidsprijs (nu Bronzen Adhemar/Vlaamse Cultuurprijs voor de Strip) en het Turnhoutse stripfestival in het leven zou roepen. In het eerste nummer van de tweede reeks van Stripgids (verschenen in september 2006) deed Jan Smet uitgebreid het relaas over het ontstaan van het blad. Hier vindt u de integrale tekst van het interview.


Jan Smet. (Foto Bart Van der Moeren)

Jan Smet. (Foto Bart Van der Moeren)


Stripgids zag het levenslicht in 1974, en werd boven de doopvont gehouden door de Bredase uitgever Cees Coenders. Coenders was toen, samen met onder meer Dany De Laet, de drijvende kracht achter CISO (voluit Comics Information Service Organisation), dat zich toelegde op goedkope herdrukken van oud Vlaams stripmateriaal dat niet meer verkrijgbaar was. Maar daarnaast wilde Cees ook informatie over strips verspreiden die hij niet in de albums kwijt kon. Nadat hij dat eerst had geprobeerd met CISO Magazine, vroeg hij mij om samen met hem een nieuw blad uit de grond te stampen. Dat werd Stripgids.”

“We beleefden toen de hoogdagen van de strip, ook in Vlaanderen, maar vreemd genoeg werd er amper over geschreven. Als er al eens een interview met een tekenaar in een krant of tijdschrift verscheen, waren dat meestal erg oppervlakkige stukken, enkel met de grote namen. Sleen soms, Vandersteen, Bob de Moor misschien af en toe… Maar voor de rest verscheen er nagenoeg niks. Echte tijdschriften over strips waren er amper. In Frankrijk verschenen er sinds het begin van de jaren ‘60 een paar; in Nederland verrichtte Stripschrift – dat nog altijd verschijnt en daarmee één van de langst lopende striptijdschriften is – pionierswerk. Stripschrift focuste toen wel vooral op Nederland, waar op dat moment uiteraard nog erg veel te ontdekken viel. En als ze het dan eens over Vlaanderen hadden, bleef het meestal beperkt tot Sleen en – vooral – Vandersteen.”

Ik zou het natuurlijk prettig gevonden hebben Moebius te interviewen, maar dat behoorde organisatorisch niet tot de mogelijkheden.

“Niet alleen in Vlaanderen, maar ook internationaal lag alles toen nog open, de meeste stripmakers waren gemakkelijk te benaderen. Toen we met Stripgids begonnen, maakte ik er een puntje van eer van als eerste in het Nederlands te schrijven over het werk van auteurs die ik bewonderde. Ik herinner me dat we zo in één van de eerste nummers Guido Crépax introduceerden. Maar op een bepaald moment drong zich toch de vraag op waar we met ons blad naar toe wilden. Er waren twee opties: of we gingen resoluut internationaal, of we richtten onze focus op Vlaanderen.”

Internationaal


Stripgids 1.

Stripgids 1.


“Op dat moment was ik persoonlijk vooral internationaal geörienteerd, met een bijzondere voorliefde voor de oude Amerikaanse krantenstrip en voor wat er op dat moment in Frankrijk gebeurde – waar voor het eerst strips verschenen die zich heel bewust tot een volwassen publiek richtten. Maar ik stelde vast dat over wat er internationaal gebeurde, al wel geschreven werd. Niet in het Nederlands uiteraard, maar dat was van minder belang. Over wat er in Vlaanderen gebeurde, verscheen helemáál niks. En toen hebben we beslist om resoluut de Vlaamse kaart te trekken. Dat had praktische redenen. Ik zou het natuurlijk ook prettig gevonden hebben om iemand als Moebius te gaan interviewen, maar dat behoorde organisatorisch niet tot de mogelijkheden. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Stripschrift, dat werd uitgegeven door een vereniging, het Stripschap, had ik geen kring achter mij. Stripgids draaide helemaal op één redacteur en één uitgever. Dat was de volledige ploeg. En je mag ook niet vergeten dat het allemaal vrijwilligerswerk was, overdag werkte ik gewoon in het Turnhoutse stadsarchief. Bovendien ben ik ook niet meteen een polyglot. Ik kan verschillende talen lezen, maar ze zelf spreken is nog iets anders. Als je als blad internationaal iets wou betekenen, had dat alleen zin als je de redactie verder kon uitbouwen. En dat konden we niet waarmaken.”

Het was vrijwel voor het eerst dat er zo uitgebreid over het werk op de Studio Vandersteen gesproken werd.

“De keuze om ons met Stripgids op Vlaanderen te gaan concentreren was dus ten dele pragmatisch. Maar achteraf gezien is het wel de enig juiste beslissing gebleken. Als er nu nog over het blad gesproken wordt, is dat vooral omdat er interviews in stonden met mensen die vrij snel daarna overleden zijn, of die geen of weinig interviews gegeven hebben. Ik denk hierbij onwillekeurig aan het interview met Karel Verschuere, het was vrijwel voor het eerst dat er zo uitgebreid over het werk op de Studio Vandersteen gesproken werd. Waarop Vandersteen dan weer reageerde door mij een interview over de Studio toe te staan om het daarin voor het eerst ook zelf erg uitvoerig over zijn medewerkers te hebben. Ondertussen is dat allemaal genoegzaam bekend, maar op dat moment was dat nog nooit zo uitvoerig uit de doeken gedaan.”


Stripgids 2.

Stripgids 2.


“De lijst van mensen die we konden interviewen was erg lang. Maar jammer genoeg hebben we niet met iedereen kunnen praten. Zeker niet nadat we hadden besloten om elk nummer van Stripgids voortaan volledig aan één welbepaalde tekenaar te wijden. Vergelijk het met de Bronzen Adhemar, de Vlaamse stripprijs. Er zijn mensen genoeg die hem zouden kunnen krijgen, maar er is er altijd maar ééntje die hem daadwerkelijk krijgt. Aan mensen als Sleen, Vandersteen, Pom, Jef Nys, Berck, of toen aanstormend jong talent als Hec Leemans of Merho kon je moeilijk voorbij, en aan hen hebben we uiteraard ruim aandacht besteed. Al moet ik daar dan wel meteen bijvertellen dat het in het geval van Pom meer dan een jaar duurde eer hij uiteindelijk toestemde in een interview.”

William Vance

“Iemand als Morris bijvoorbeeld hebben wij nooit aan de tand gevoeld. Omdat ik Morris nooit als een in de eerste plaats Vlaams stripmaker heb gezien. De man had natuurlijk zijn Vlaamse roots, maar van in zijn eerste publicaties leverde hij franstalig werk af. Hetzelfde voor William Vance. De man is ongetwijfeld heel blij dat hij vorig jaar de Bronzen Adhemar heeft gekregen, en inderdaad, zijn wortels zijn Vlaams. Maar zijn werk is altijd voor de franstalige markt gemaakt. Je mag ook niet vergeten dat Morris op dat moment ook al uitgebreid aan bod kwam in franstalige tijdschriften. Ik zag daar toen de noodzaak niet meteen van in. Als we moesten kiezen tussen Bob Mau of Morris, zouden wij altijd voor de eerste gekozen hebben.”

Als we moesten kiezen tussen Bob Mau of Morris, zouden wij altijd voor de eerste gekozen hebben.

Paul Cuvelier

“Op een bepaald moment was ik dan toch van plan om Paul Cuvelier te gaan interviewen, samen met Hec Leemans, die in de laatste jaren nauw betrokken was bij de lay-out van Stripgids. Cuvelier is jammer genoeg gestorven vooraleer het interview heeft plaatsgevonden. Tegenwoordig heb ik er soms wel spijt van dat ik bijvoorbeeld Hergé nooit geïnterviewd heb, al was dat via onze erg goede contacten met Bob De Moor wellicht niet onmogelijk geweest.”


Hec Leemans. (Foto Strip Turnhout/Bart Van der Moeren)

Hec Leemans. (Foto Strip Turnhout/Bart Van der Moeren)


“Aan uitbreiding van de redactie is nooit echt gewerkt. Af en toe was er wel wat hulp, maar uiteindelijk had ik daar dan vaak meer werk mee dan wanneer ik het zelf had gedaan.

Een interview met Hergé was via onze erg goede contacten met Bob De Moor wellicht niet onmogelijk geweest.

De omstandigheden waarin Stripgids gemaakt werd, waren hemeltergend en slopend. Dat blad volschrijven zoals ik dat gedaan heb, dat hadden duizend anderen misschien ook wel klaargespeeld, op voorwaarde dat ze genoeg bezieling hadden. Maar de praktische kant, dat zie ik iemand anders nog niet meteen doen. Je mag niet vergeten dat niet alleen de redactie, maar ook de volledige organisatie in mijn nek terechtkwam.”

“Ik reed heel Vlaanderen en Nederland rond, om teksten in te leveren, drukproeven te halen, correcties te doen, overleg te plegen met de vormgever,… In het e-mailtijdperk is het wellicht allemaal erg moeilijk om je dat nog voor te stellen, maar voor vrijwel alles moest je toen de baan op. En er zijn er heel weinigen die me dat zullen nadoen en het desondanks 32 nummers zouden volhouden. Uiteindelijk doet dat niet terzake, een lezer moet daar niet bij stilstaan. Maar het was wel een doorslaggevende reden voor het verdwijnen van het blad in ‘85. Ik was toen echt aan het einde van mijn Latijn.”


Stripgids 4.

Stripgids 4


“Een ander probleem was het vaak grote gebrek aan financiële slagkracht, waardoor we ook bij de drukker altijd moesten wachten tot die de tijd vond ‘om het eens mee door te pakken’. Zo kon het gebeuren dat het soms vier tot vijf maanden duurde eer een afgewerkte tekst in gedrukte vorm verscheen. Stripgids kreeg dan wel eens de kritiek ‘Goed blad, maar de nieuwsrubriek trekt op niks en is hopeloos gedateerd’. En dat was een terechte kritiek. Maar aan mij lag het niet.”

“De verspreiding verliep vooral via de stripwinkels, die toen uit de grond schoten; er was ook een beperkt abonneebestand. Soms koppelden we een publicatie wel eens aan de heruitgave van een oud album in de CISO-reeks. Dan was het iets gemakkelijker om het te verkopen, want de interesse in albums is altijd groter geweest dan in stripinformatie. Ook vandaag nog: probeer maar eens een degelijk, wat ouder naslagwerk over een of ander onderwerp te vinden, zelfs in een stripspeciaalzaak.”


Stripgids 5.

Stripgids 5.


“De bedoeling was dat er vier Stripgidsen per jaar zouden verschijnen, maar gelet op de moeilijkheden met de drukker, waren er dat soms maar drie, af en toe zelfs maar twee. De eerste Stripgids verscheen in ‘74, de laatste verscheen in ‘85. In die elf jaar tijd zijn er 32 van de persen gerold, met hier en daar nog een dubbelnummer erbij. En tussendoor zat er nog wel eens een albumuitgave tussen. Zo is er ooit een album van Pirana als Stripgids verschenen. Dat was nodig om ons verschijningsritme min of meer vol te kunnen houden. In de loop van de jaren ‘90 zijn er nog wel een paar boekjes verschenen onder de naam Stripgids, maar het ging toen enkel nog om kleine catalogi bij de tentoonstelling van de laureaat van de Bronzen Adhemar in de Warande. Het echte einde van het blad, van Stripgids als tijdschrift, lag in 1985.”

Stripgidsprijs

“De tweejaarlijkse prijs die de naam van het blad droeg, en later de Bronzen Adhemar en de Vlaamse Cultuurprijs voor de Strip geworden is, heeft het blad dus overleefd. De oorsprong van die prijs ligt in Amsterdam. Op een gegeven moment was ik bij Kees Kousemaker die in de Nederlandse hoofdstad stripwinkel Lambiek openhield. Hij vertelde me dat Vandersteen een onderscheiding had gekregen in Frankrijk. Ik vond dat meteen een erg onprettig idee: Vlaamse tekenaars moesten blijkbaar naar het buitenland om een prijs te kunnen krijgen, gewoon omdat er in Vlaanderen geen prijs was. In 1972 werd eenmalig de zogenaamde CISO-prijs uitgereikt aan Bob De Moor, maar daar was geen vervolg aan gebreid. Ik moet toen wat te veel gedronken hebben, vermoed ik, want op dat moment heb ik in een moment van zinsverbijstering beslist: ‘Dan begin ik potverdorie zelf met een prijs!’”

In een moment van zinsverbijstering heb ik toen beslist: ‘Dan begin ik potverdorie zelf met een prijs!’

“Op de terugweg uit Amsterdam ben ik bij de uitgever in Breda gestopt, en die vond het wel een goed idee. Enige voorwaarde was dat ik al het werk dat er bij kwam kijken, voor mijn rekening zou nemen. En zo heb ik 1977 helemaal in mijn ééntje de Stripgidsprijs in het leven geroepen. Het ging heel snel, van een jury was toen nog geen sprake. De eerste prijs ging naar Hector Leemans en Daniël Janssens, de tekenaar en de toenmalige scenarist van Bakelandt. Een beeldje kregen de laureaten nog niet, de eerste jaren kreeg de winnaar een prent van Frank-Ivo Van Damme. Pas een paar jaar later werd het eerste bronzen beeldje van Adhemar uitgereikt.”


Terwijl Jan Smet breed glimlachend toekijkt, overhandigt Urbanus de Bronzen Adhemar aan Berck, die het beeldje in 1985 in de wacht sleepte. (Foto collectie Strip Turnhout)

Terwijl Jan Smet breed glimlachend toekijkt, overhandigt Urbanus de Bronzen Adhemar aan Berck, die het beeldje in 1985 in de wacht sleepte. (Foto collectie Strip Turnhout)


“Ik besefte al meteen dat als we wilden dat die prijs een lang leven beschoren zou zijn, de toekenning door een jury moest gebeuren. En vanaf 1978 – de prijs was toen nog jaarlijks – was die er ook. De logica wou dat de eerste prijs met jury dan naar Willy Vandersteen zou gaan. Een jaar later zou Marc Sleen dan aan het feest zijn. Of andersom. Omdat die mensen nog nooit een onderscheiding hadden gekregen, kon dat moeilijk anders. En voor de volgende jaren stonden dan Jef Nys en Bob De Moor natuurlijk al klaar. En dat wou ik niet. Toen ontstond het idee de jury zodanig samen te stellen, met de twee groten erbij, dat de prijs echt een aanmoedingsprijs voor Vlaamse tekenaars zou worden. De prijs moest in de eerste plaats de actuele situatie van de Vlaamse strip weerspiegelen. Vandersteen en Sleen waren meteen erg enthousiast. En we waren vertrokken.”

“De eerste jurering in 1978 leverde al meteen een grote verrassing op. Kamagurka kwam als laureaat uit de bus. Tijdens de discussies liet ik één keer zijn naam vallen, en uitgerekend Vandersteen haakte daar onmiddellijk op in. Terwijl op dat moment onder stripliefhebbers een beetje smalend gedaan werd over Kamagurka, omdat die geen groot tekenaar zou zijn. Maar zijn genie manifesteert zich uiteraard op andere vlakken, en Vandersteen zag dat toen al, en heeft vrijwel in zijn ééntje de bekroning van Kamagurka doorgedrukt.”

Kamagurka kwam als laureaat uit de bus. Tijdens de discussies liet ik één keer zijn naam vallen, en uitgerekend Vandersteen haakte daar onmiddellijk op in.

“Ik kan hier met de hand op mijn hart zeggen dat de jurering altijd eerlijk verlopen is. Naarmate de prijs belangrijker werd, was er regelmatig commentaar, maar vriendjespolitiek of iets dergelijks heeft nooit gespeeld. En uiteraard is het in de loop der jaren zo geweest dat er verschillende mensen zijn die heel vaak op tafel hebben gelegen, maar uiteindelijk nooit bekroond zijn. Anderzijds zijn sommige mensen ooit maar één keer genoemd, en hebben ze meteen de prijs gewonnen.”


De Bronzen Adhemar. (Foto bc.)

De Bronzen Adhemar. (Foto bc.)


“Marc Legendre is iemand die de prijs in de loop der jaren zeker verdiend had, die hem zelfs had moeten krijgen. Hij is er een paar keer heel dicht bij geweest, maar uiteindelijk mag je hem gerust de Poulidor van de Bronzen Adhemar noemen. Altijd op het podium, nooit gewonnen. Het succes dat een reeks als Titeuf op dit moment in Frankrijk te beurt valt, toont aan dat Legendres Biebel zijn tijd vooruit was. Ook al kwam toendertijd uit Frankrijk de kritiek dat het figuurtje Biebel nogal veel op een teelbal geleek. (lacht) Maar de spirit van Titeuf is helemaal die van Biebel.”

Tentoonstelling

“Mijn idee was dat de uitreiking van de prijs een feestelijke gebeurtenis moest zijn die de laureaat nooit zou vergeten. Daarom organiseerde ik al meteen bij de eerste uitreiking van de Stripgidsprijs ook een kleine tentoonstelling, die plaatsvond in de hal van het Turnhoutse cultuurcentrum de Warande. De uitreiking gebeurde tijdens de vernissage, waarvoor ik alle Vlaamse striptekenaars had uitgenodigd. Schrijver Walter van den Broeck, die later nog in de jury van de prijs zou belanden, leidde de expo in. De mensen van de Warande schrokken zich een hoedje. Ze vertelden me later dat ze nog nooit zoveel volk bij mekaar hadden gezien voor de opening van een tentoonstelling. Erik Antonis, toen directeur van de Warande, liet meteen weten dat hij in de toekomst meer met strips wilde doen.”

Ik geloof dat de eerste uitreiking mij toen 7.000 frank uit eigen zak gekost heeft.

“De eerste uitreiking van de prijs heeft vooral mij persoonlijk nogal wat geld gekost, want ik organiseerde alles zelf en moest voor alles opdraaien. Sponsoring of subsidiëring, dat bestond nog niet. Ik geloof dat het mij toen 7.000 frank uit eigen zak gekost heeft, wat echt wel een aanzienlijke som was. Pas vanaf de tweede editie was er een zeker engagement vanuit de Warande. Toen heeft de Warande het versturen van de uitnodigingen voor haar rekening genomen. Op dat moment was er nog geen sprake van een stripdag, het ging enkel om een tentoonstelling met vernissage. Guy Mortier heeft bij de tweede editie de tentoonstelling van Kamagurka ingeleid. Een geruchtmakende opening, want Kamagurka heeft toen zelf nog één van zijn eigen kunstwerken vernietigd, tot grote ontstentenis van één van de bewakers van de Warande, die niet wist hier met de kunstenaar zelf te maken te hebben.”


Eens in de twee jaar verscheen nog een nummer van Stripgids, bij wijze van catalogus bij de tentoonstellingen van de laureaat van de Bronzen Adhemar. Hier de editie over (en met een cover van) Marvano.

Eens in de twee jaar verscheen nog een nummer van Stripgids, bij wijze van catalogus bij de tentoonstellingen van de laureaat van de Bronzen Adhemar. Hier de editie over (en met een cover van) Marvano.


“Pas vanaf de derde editie zijn we met een stripdag gestart, met een beurs en signerende auteurs. Dat vergde een dergelijke grote organisatie dat we er al snel achter kwamen dat we dat niet elk jaar konden opbrengen. En dat is de reden dat de Stripgidsdagen uiteindelijk een tweejaarlijks festival geworden zijn, en dat de prijs uiteindelijk ook maar om de twee jaar wordt uitgereikt. Voor de prijs is dat uiteindelijk ook een goede zaak gebleken, denk ik.”

“In 1985 is als gezegd de laatste Stripgids verschenen, mede een gevolg van het feit dat Cees Coenders het financieel ook niet meer kon opbrengen om het blad uit te blijven geven.  Maar het festival stond toen al op eigen benen. We hebben het geluk gehad dat er een jonge ploeg klaarstond om de organisatie van het festival over te nemen. Vanaf 1990 hebben Patrick Van Gompel en Ad Hendrickx het roer met twee handen vastgenomen. Patrick had vanaf 1983 al de persconferentie voor zijn rekening genomen, maar na verloop van tijd nam hij ook steeds meer andere taken binnen de organisatie op. En hij heeft dan natuurlijk het geluk gehad in Ad Hendrickx een secondant te vindendie nagenoeg heel de organisatorische rompslomp voor zijn rekening nam.”

Bob De Moor

“Een groot geluk was ook dat er eind jaren ‘80 een nieuwe wind door de Warande waaide, en ook het cultuurcentrum een tandje wou bijsteken. Het eerste tastbare resultaat was de grote Bob De Moor-retrospectieve in de Warande in 1989. Een striptentoonstelling van dat formaat, met een verzorgde, ruim bemeten catalogus, dat was op dat moment in Vlaanderen nooit gezien. Voor het eerst investeerde ook de Warande financieel erg fors in de tentoonstelling tijdens het festival, met als gevolg dat de stripdagen bleven groeien, want ondertussen waren we van één enkele stripdag naar een heel weekend geëvolueerd.”



Patrick Van Gompel, die Jan Smet opvolgde als organisator van het Turnhoutse stripfestival, is vooral bekend als journalist. Hier interviewt hij Asterix-tekenaar Uderzo voor het VTM-nieuws. (Foto: Raymond Lagae/De Stripspeciaalzaak)

Patrick Van Gompel, die Jan Smet opvolgde als organisator van het Turnhoutse stripfestival, is vooral bekend als journalist. Hier interviewt hij Asterix-tekenaar Uderzo voor het VTM-nieuws. (Foto: Raymond Lagae/De Stripspeciaalzaak)


“Het was duidelijk dat het schip almaar groter werd, maar dat de roeiriemen even lang bleven Of even kort, zo u wil. Jarenlang zijn we met mijn persoonlijke rekening blijven werken. Maar toen Patrick een aanzienlijke sponsoring verkreeg bij een bank, bleek dat niet meer werkbaar. We hebben dat aanvankelijk nog opgelost door een aantal facturen recht naar die bank te laten sturen, maar er moest een andere oplossing komen. En dat is de Bronzen Adhemar Stichting geworden, die de structuur van een vzw kreeg. Ad en Patrick zaten daar in, naast ondervoorzitter Hec Leemans, als vertegenwoordiger van de tekenaars.” En omdat dát voor mij het moment was dat ik zag dat het schip op eigen kracht kon verder varen, ben ik er toen uitgestapt. Dan had ik eindelijk de tijd om al die boeken die ik in de loop van tientallen jaren had gekocht, ook daadwerkelijk te gaan lezen.”

De voorbije dertig jaar is het festival altijd maar beter en groter geworden.

“De voorbije dertig jaar is het festival altijd maar beter en groter geworden. Eerst op kleine schaal, dan onder de vleugels van de Bronzen Adhemar Stichting, en sinds vorig jaar als Strip Turnhout, waarmee de professionalisering van het festival is ingezet. De eerste tien jaar kregen wij wel eens de kritiek dat het een soms nogal slordige organisatie was. Maar dat was niet het geval. Er is altijd geprobeerd om naar gelang de mogelijkheden en omstandigheden een zo goed mogelijke organisatie op poten te zetten. En dat is gemiddeld genomen vrij aardig gelukt. Uiteraard ging er wel eens wat fout, maar niet op die schaal dat het publiek daar veel van gemerkt heeft.”


Toen Erik Meynen de Bronzen Adhemar kreeg, maakte hij deze tekening.

Toen Erik Meynen de Bronzen Adhemar kreeg, maakte hij deze tekening.


“Ik heb de Bronzen Adhemar Stichting nog mee opgericht, en me er toen toe verbonden om voorzitter van de jury van de Stripgidsprijs te blijven. Tot in 2003 heb ik dat gedaan, sindsdien volg ik het echt alleen nog maar vanaf de zijlijn. En ik vind het best zo. Heimwee naar de jaren dat ik Stripgids maakte en het festival organiseerde, heb ik allerminst. Ook fysiek werd het steeds zwaarder, dus die nieuwe organisatie kwam op het juiste moment. Mijn vrouw Astrid zag al langer dat ik het nog maar met moeite aankon, maar heeft nooit gezegd dat ik er mee moest stoppen. (lacht, zijn hand op de schouder van zijn vrouw leggend:) Als ze dat wel gedaan had, was ik er zéker mee doorgegaan.”